Overdenking 4

De grote dag des Heeren


  1. Het vreselijke van die dag.
  2. De angst voor die dag.
  3. Het uitzien naar die dag.





Juda en Jeruzalem wordt vanwege de zonden, het oordeel aangezegd. Daarvoor gebruikt de Heere de schrijver van dit boekje, Zefanja. Het is een boek zonder inleiding of verklaring. De profeet begint met: Ik zal ganselijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de Heere. Er wordt niets gezegd over wat het volk heeft gedaan. Zefanja zegt het oordeel aan, zonder verdere uitleg. Dit lijkt in te houden, dat het volk heel goed wist, hoe het God hoorde te dienen. Anders had het waarom van het oordeel wel beschreven gestaan. Maar wie was dan Zefanja? Hij was een profeet Gods. Zijn naam betekend, knecht des Heeren. Van alle profeten waarvan de stamboom van de familie wordt genoemd, wordt niet verder terug gegaan dan tot de vader. Alleen van Zacharia was ook de grootvader bekent. Bij Zefanja is dit anders. De stamboom gaat vier geslachten terug. De oudste naam die wordt genoemd is Hizkia. In de grondtaal van de Bijbel is dat dezelfde naam als die van Hizkia de Koning van Juda. In dat geval is hij dus van koninklijken bloede. Hij begon te profeteren ten tijde van Josia. Deze regeerde goed en in het twaalfde jaar van zijn regering roeide hij alle afgodendienst uit. Het is niet bekend of Zefanja zijn boodschap bracht aan het begin van Josia koningsambt. Als dat zo is, dan is er op zijn prediking veel gebeurd. Maar als deze oordeelsprediking pas later het volk werd aangezegt, dan is het zo geweest dat het volk in z'n oude zonden is terug gevallen. En dat nog onder het bewind van Josia.

I. Het vreselijke van die dag. Vanwege de afgoden dienst wordt het volk van Juda, het oordeel aangezegd. Hoe is het met ons eigen volk. Als Juda het oordeel wordt aangezegd om die reden, hoeveel te meer geldt dit dan voor ons eigen land en volk. Vanwege lands afgoderij. Hebben we niet een economie waarvoor vrijwel ons hele volk op de knieën ligt? We hebben het toch zo goed. Rijk en verrijkt en geens dings gebrek? Het is afgodendienst. Muziekhelden, sporthelden, filmsterren, allemaal afgoden, die meer vereerd worden als de levende God. Ik zal wegrapen, spreekt de Heere. Nederland ligt dagelijks op de knieën voor de televisie. Uren worden eraan besteed. Dat is vrije tijd welke niet wordt gebruikt om de Heere te dienen. Het oordeel is Nederland daarom ook aangezegd. Het vertoornd de Heere zeer. Zeker omdat ons land en volk beter hoort te weten. Maar laten we niet vergeten, dat het oordeel bij het huis Gods begint. Daar ligt de schuld. Binnen de kerk. Daar waar zondag aan zondag de wet wordt gehoord en het evangelie wordt verkondigd. Maar waar ook de afgodendienst plaats vindt. Dominees worden meer vereerd dan de Heere. Ja, ze worden nagelopen, er wordt geroepen als dominee X het zegt dan is het waar. Afgodendienst. Als Gods Woord het zegt, dan is het waar. Niet omdat een dominee het zegt, want dan gaat het om een dominee. En dan wordt hij vereerd als een afgod. En over alle vormen van afgodendienst zal de Heere Zijn oordelen doen komen. De Heere zal Zijn arm tegen dezulken uitstrekken, staat er dan. Maar dit geldt niet alleen voor de afgodendienst. Over alle zonden zal het oordeel Gods komen. En Hij zegt het u aan. Hij wijst u erop, dat ieder mens die in zonden blijft, in die dag des oordeels geen dageraad zal hebben. Heel nauwkeurig wordt die dag beschreven. En die dag is zeer nabij. Uitstel om de toorn Gods te ontvluchten is levensgevaarlijk. Elk ogenblik kan die dag aanbreken. Hetzij in de daadwerkelijke uitvoering of omdat u uit dit leven wordt weggenomen. In beide gevallen is het voor u de dag des oordeels. En op die dag zullen de helden van deze maatschappij bitter schreeuwen. Zelfs zij zullen uitroepen: bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons. Het zal een dag zijn dat de wraak des Heere gevoeld wordt. De mensen zullen benauwd en band worden. De aarde zal verwoest worden, duisternis zal over de aarde komen. En de bazuin van het laatste oordeel zal klinken. En door het geklank van die bazuin worden alle mensen geroepen om voor God te verschijnen. Iedereen zal moeten komen. Het geluid van de bazuin zal in alle hoeken van de aarde gehoord worden. En de mensen zullen verblind door die angst over de aarde gaan. Het vuur van Gods toorn zal van de hemel komen. Een vreselijke dag. Geen ene steen zal op de andere blijven. En ieder mens zal geoordeeld worden naar hun werken. Deze dag is nabij, ja zeer nabij. Er zal geen ontkomen zijn voor alle mensen die niet hebben geloofd in het verzoeningswerk van Christus. Ieder die liever de zonden heeft gedaan, dan gemeenschap te hebben gehad met Christus, zal dit oordeel gelden. Ziet u hoe gevaarlijk die afgoden dienst is. Ziet u hoe gevaarlijk het is, om de Heere niet te zoeken. Dat komt nog wel, zegt u? Die dag des Heeren is zeer nabij. Hoort u? Zeer nabij. Als we lezen over wie dit oordeel geldt dan zal er niemand zijn die kan ontkomen. Het oordeel zal komen over de vorsten. Ook zij zullen weten dat God boven hen staat. Dat ze in alles zich ondergeschikt hadden moeten weten. Ook alle vreemde kleding is de Heere een gruwel. Ik zal er niet veel over zeggen. Maar een enkel woord. Vreemde kleding. Wat is voor de Heere vreemde kleding? Dat is alle kleding die niet is overeenkomstig Gods Woord. Mannen in vrouwen kleding en vrouwen in mannen kleding. Het is tegen Gods Woord, als we ons daar niet aan houden. Er is geen enkel excuus te verzinnen, om hier onderuit te komen. Ik weet wel, dit geldt voornamelijk de vrouwen en meisjes. Maar laten we hier wel acht op slaan, en elkaar op deze zaken wijzen. Er is nog een ander punt, betreffende de kleding. Die vorsten die hier genoemd werden, gingen naar vreemde landen om daar dure kleding te halen. Kortom, de kleding werd verafgood. Hoe is dat bij ons? Wat is die kleding ons waard. Ik vrees, dat bij velen kleding wordt gekocht met schrikbarende bedragen. Het is niet eenvoudig om nog fatsoenlijke kleding te kopen. Dat is waar, maar anderzijds is het nog moeilijker om er eenvoudig bij te lopen. Want dat tast onze eer aan. En dat doet pijn. Als het prijsverschil tussen luxe kleding en eenvoudige kleding zou worden besteed aan zendings- en evangelisatiewerk, dan konden er veel meer zendings- en evangelisatieposten worden opgericht. Anders gezegd: ook onze kleding is een afgod geworden. Nog anders gezegd: Onze eer gaat in deze zaken boven Gods eer. En de Heere zal bezoeking doen over de ontering van Zijn Naam. Evenals een ieder die zich eigen maakt hetgeen van zijn/haar heer is. Dat waren in die tijd zaken die vaak voorkwamen. Waarschijnlijk betreft dit de rentmeesters die met geweld of bedrog zich eigen maakten van goederen en gelden van hun werkgever. Maar daar hoeven we geen rentmeester voor te zijn om dat te doen. Want hoe zit dat met bijvoorbeeld onze schafttijd? Staan we aan het einde van de schafttijd op, of blijven we nog maar even zitten? Vijf minuutjes maar! Het is tijd van de werkgever waarvoor we wel betaald worden. En dus is het bedrog. Ook zij die een zorgeloos leven leiden, ze zijn stijf geworden op hun droesem. Dronkaards zijn het die tevens de Naam en daden des Heeren lasteren. De Heere doet geen goed, zeggen zij. Ach, het zijn heel wat zonden waardoor de Heere met Zijn oordeel het land komt te bezoeken. En wie van ons gaat vrijuit? Wie heeft hier geen schuld? Het oordeel zal komen over ons allen, tenzij we ons bekeren en leven naar Gods Woord. En anders is er aan dat oordeel is geen ontkomen aan. Geen goud en zilver zal ons kunnen redden. Hoe moeten we dan ontkomen aan die dag. Is er dan geen mogelijkheid om onder het rechtvaardig oordeel Gods uit te komen.

II De angst voor die dag.

In ons zelf is geen mogelijkheid om te ontkomen. Nu niet en nooit niet. Waarmee zullen wij onze schuld moeten betalen? Wij hebben geen wettig betaalmiddel. Als het voor ons mogelijk was (maakt u zich geen illusie, het is niet mogelijk) om vanaf nu, zonder zonden te gaan leven, geheel overeenkomstig Gods Woord, dan doen we alleen nog maar dat wat de Heere in Zijn Woord van ons eist. Maar daarmee is onze schuld van het verleden nog niet vereffend. Wij zouden wel een grote angst moeten hebben voor die grote dag, als onze schuld nog niet betaald is. En in ons is geen mogelijkheid. Alles wat wij aanbrengen is niet meer dan Gods eis. En als God ons daarmee bekend maakt, dan moet een mens onvoorwaardelijk buigen voor Gods recht. Dan moet een mens zeggen: "O Heere, als Gij mij nu in de buitenste duisternis werpt dan hebt Gij daar alle recht toe." Je wordt niet alleen zondaar voor God, maar je gaat ook Gods recht accepteren. Gij zijt God en ik ben niet geweest die ik moest zijn. Voor die mens is er maar één weg en dat is naar Gods recht voor eeuwig verloren gaan. Dan kan je niet meer leven bij de belofte. Dan kan de Heere veel beloven in Zijn Woord, maar dat kan nooit voor jou bedoeld zijn. Maar daar waar de Heere een mens doet buigen voor Zijn recht, daar waar het voor een mens onmogelijk wordt om zalig te worden, daar gaat de Heere werken. De kerken zitten tegenwoordig vol met zondaren, maar ze hebben nog steeds mogelijkheden om zalig te worden. Maar zo werkt de Heere niet. Daar waar de Heere een mens ontdekt aan zichzelf, daar heeft die mens geen enkel recht meer op de zaligheid. Dan blijft het echt niet alleen bij zondaar zijn, dan gaat het nog veel dieper. Verloren, naar recht verloren. Dan komt er een oprechte angst voor die dag des Heeren. Dan vreest u op die dag niet te kunnen bestaan voor die heilige God. Dan vreest u voor die dag, omdat Gods rechtvaardig oordeel wordt uitgesproken. En dan zou God geen onrecht doen. Kunt u hier nog in meekomen. Als u zegt geloof te hebben, maar hier niet in kan meekomen, doorzoek uzelf dan nauw, voordat u voor eeuwig verloren gaat. Als de Heere echter een mens zo gaat ontdekken, en zo diep inleidt in de verlorenheid van zijn bestaan, gaat Hij zich in Christus Jezus bekend maken. Want daar waar het bij de mensen onmogelijk wordt, daar wordt het mogelijk bij God. Waarom? Omdat God altijd door de onmogelijkheid heen werkt. Want daar waar het in de onmogelijkheid, mogelijk wordt, wordt het een wonder. En daar waar de Heere een wonder doet aan de ziel van een mens, daar alleen zal Hij verheerlijkt worden. Hij gaat uit Zichzelf een weg tot ontkomen schenken. Het is net als bij het volk Israël als het net vertrokken is uit Egypteland. Ze komen voor de zee te staan, en achter hen is het leger van Egypte. Ze kunnen geen kant meer op en de dood schijnt voor ogen te zijn. Het wordt onmogelijk om nog te ontkomen. Maar daar waar het onmogelijk wordt, geeft de Heere een mogelijkheid. De wateren wijken, en Israël kan door de zee. Zo werkt de Heere geestelijk ook. Muren van onmogelijkheid en recht Gods. De angst voor de dag des Heeren groeit. En toch…. nog een mogelijkheid om zalig te worden. Niet in onszelf, maar buiten onszelf vanwege de genade Gods. Vanwege het wonder van de plaatsvervanging. Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. O, welk een wonder, al Gods geboden duizendmaal overtreden, geen recht meer in zichzelf. En daar gaat God een wonderlijk recht scheppen vanuit zichzelf. Hij gaat Zelf zorgen voor betaling. Hij geeft Zijn eigen Zoon. Hij die zonder zonden is en volledig voldoet aan Gods eis, Die wil betalen. Voor wie? Voor rechtelozen, voor zondaren die Gods recht moesten toevallen. En moesten zeggen, onmogelijk, onmogelijk. En dan zegt Christus, mogelijk, mogelijk. Wanneer wordt het een mens onmogelijk? Als de Heere dat door Zijn Geest gaat werken. Vanuit onszelf gaan wij dit niet zien. Dan zien we wel die grote dag des Heeren snel naderbij komen, maar we blijven onze zaligheid uitstellen totdat we verloren gaan, en dan kan het niet meer. We stellen onszelf gerust met de gedachte dat we nog tijd genoeg hebben. We kunnen wel angstig zijn voor die dag, maar we kunnen onszelf nog van die angst afpraten. Maar als Gods Geest gaat werken, dan slaat de angst om ons hart en kunnen we het niet meer van ons afzetten. Smeek dan toch die God of dat Hij Zijn Geest geven wil tot ontdekking.

III. Het uitzien naar die dag.

Als de Heere met Zijn Geest gaat werken in ons hart, dan gaan we uitzien naar die dag. Maar er dan een tweeërlei uitzien, waarvan het eerste niet een echt uitzien is. Want zoals ik al zei, na ontdekking aan de zonde, gaat een mens het recht Gods toevallen. Een mens wordt het met de Heere eens. "Heere, Gij zijt rechtvaardig". Uw bent in Uw toorn over mijn zonden rechtvaardig. Een mens die dat krijgt in te leven, die gaat uitroepen: "Laat die grote dag maar komen, ik ben al uw straffen dubbel waardig." In deze wijze van uitzien valt een mens voor het recht van God. Maar hier stopt de Heere Zijn werk niet. Als de Heere een mens zo diep brengt, dan gaat Hij na korter of langere tijd het zicht op de verlossing geven. Dan wordt Christus de weg tot verlossing en dan wordt het uitzien naar die dag een werkelijk uitzien. Dan komt daar een verlangen naar het aanbreken van die dag. Dan houdt het geloven op en wordt het aanschouwen. Nooit meer gebrek in het eren van Hem die alles volbracht heeft. Dan zal de eeuwigheid nog te kort blijken te zijn om Christus te danken. Kent u dat verlangen? Of heeft u Christus aangenomen maar bent u dat recht Gods nog nooit toegevallen. De Heere gaat niet om de zonde heen. En Hij maakt een zondaar het eens met het oordeel dat hij of zij verdiend heeft. Dat is de weg die de Heere gaat. Ik hoor van gemeenten waar ze vrijwel allemaal Christus hebben aangenomen. En degenen die dat nog niet gedaan hebben, worden bijna gedwongen om het te doen. Zo werkt de Heere niet. Zo gaan we verloren met een ingebeelde zaligmaker. Dan hebben we een zaligmaker die ons vrij moet maken van niets. Waarom zouden we vergeving moeten ontvangen van zonden, terwijl we nooit ontdekt zijn aan ons zondig bestaan? Nee, de Heere ontdekt aan zonde, en Hij geeft de betaling van schuld erbij. En daar waar dat ervaren wordt, komt er een recht uitzien naar die grote dag. Is dat uitzien en verlangen altijd bij Gods volk aanwezig? Nee, door de zonde is het zo vaak weg. Doordat een ontdekte en vrijgemaakte zondaar het telkens weer zonder de Heere probeert, raakt hij het zicht op die dag ook telkens weer kwijt. Dat is dus eigen schuld. Op deze wijze wil de Heere Zijn volk iedere keer weer laten zien dat ze geen moment zonder die genade kunnen. Om deze overdenking te besluiten wil ik nog een toepassing maken.

Allereerst degenen die voortleven alsof die dag nooit zal aanbreken of het naderen tot Christus eindeloos uitstellen. U kan voortleven alsof die dag nooit zal aanbreken maar ik moet u teleur stellen. Die dag zal aanbreken en die dag is zeer nabij. In de tekenen van de tijd zien we die dag met spoed naderbij komen. De wereld schud en beeft. Een aardbeving hier, een oorlog of een ramp daar. Het volgt elkaar in steeds sneller tempo op. Als we daarbij bedenken dat het grootste deel van de wereld al bekend is met Gods Woord, ziet u dan nog niet dat die grote dag zeer aanstaande is. En u reist onvoorbereid af op die vreselijke eeuwigheid. Vraag, ja smeek de Heere of dat Hij u wilt ontdekken aan uw zondige bestaan, dat Hij u bekend maakt met uw zonden en het gevolg waar u krachtens Zijn rechtvaardigheid recht op hebt. En bekeerd u van uw zondige wegen. U kunt tegenwerpen wat u wil. U kunt roepen dat we er zelf toch niets aan kunnen doen. Ach, het is allemaal waar. Maar zolang u dat roept om uzelf vrij te pleiten van uw onbekeerde staat, bedriegt u uzelf. Strijdt om in te gaan. En laat het dan maar onmogelijk worden en vlucht met die onmogelijkheid naar Christus toe, bij wie mogelijkheden zijn voor onmogelijken. Bedrieg uzelf niet langer. U zal straks niet verloren gaan omdat u niet was uitverkoren, maar u zal straks verloren gaan omdat u niet wilde dat Christus Koning over u zijn zou. Dwaas, dwaze dwaas. U bent op weg naar uw rampzalige toekomst. Verhard u niet, maar laat u leiden.

Vervolgens degenen die weten dat die dag aanstaande is, maar die dag met angst te gemoed zien. Het is al een wonder op zich, als een mens oog gaat krijgen voor die grote oordeelsdag. Maar het wil niet zeggen dat ieder die daar oog voor gekregen heeft ook deelt in het genadewerk des Heeren. Wel is het zo dat de Heere een zicht op die dag geeft om een mens te laten zien dat die dag aanstaande is. En dat dan een ieder geoordeeld zal worden naar zijn of haar werken. En dan komt de vraag naar u toe, wat zal uw het oordeel over uw leven dan zijn. Verloren, verloren, zegt u. Want als de Heere mijn werken gaat oordelen, dan zal het een rampzalig oordeel zijn. Als ik op mijn zonden zie, dan kan de Heere mij nooit vrijspreken. Inderdaad, u vanwege uw zonden, vanwege uw werken kunt u nooit de zaligheid beërven. Dan mag de angst voor die dag u wel om het hart slaan. Maar de Heere heeft Zelf een weg tot betaling gegeven. Christus wil ook uw zonden betalen. Waarom blijft u dan zo van verre toezien hoe anderen worden toegebracht. Waar heeft die angst voor die dag u gebracht? Bent u met die angst bij Christus geweest, of koestert u die angst, en voelt u zichzelf er lekker bij. Ja, zegt u, ik weet wel dat er een weg is tot zaligheid, maar hoe kom ik daar op. U kan daarop alleen komen door niet meer op uzelf te zien, want dan is en blijft het onmogelijk. Zie op Christus. Hij kan en wil ook u verlossen van uw zonden. Belijdt Hem uw zonden. Leg het alles voor Hem neer. Paulus zegt van zichzelf dat hij de grootste is der zondaren, en Paulus werd gered. Als er nu zo'n reus onder de zondaren door die Deur Jezus Christus kon ingaan, zal het dan voor u niet kunnen. Ja, maar ik blijf willens en wetens van verre. Ik hoor zondag aan zondag de weg tot zaligheid prediken. Ook voor zo een is plaats bij Christus. Niet vanuit uzelf, maar bij Christus is dat wat bij de mensen onmogelijk is, mogelijk. Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt. Ga dan, blijf niet van verre. Hij nodigt u. Ook u die twijfelt of het ook wel voor die kan zijn.

Tenslotte degenen die met vreugde uitzien naar die dag. Helaas zijn er tweeërlei mensen die met vreugde uitzien naar die dag. Er zijn er die zelf de keuze gemaakt hebben om tot Christus te gaan, en daaruit vreugde putten. Dat zijn zij die nooit de onmogelijkheid in zichzelf hebben gekend. Die mensen zijn het leven der genade ook nooit kwijt. Die hebben het altijd. Gods volk wordt bekend gemaakt met hun eigen onwil om gered te worden. Die zijn niet uit zichzelf tot Christus gegaan, maar die zijn ontdekt aan zichzelf. Die hebben leren inzien dat er in hen geen enkele mogelijkheid is om zalig te worden. Maar ondanks dat ook door Christus Zelf zijn toegebracht. Daar waar de keuze uit een mens is voortgekomen daar zal die grote dag een rampzalige dag zijn. Onderzoek uzelf nauw. Het zal er straks op aan komen, of u door Christus bent toegebracht. Maar u die door Gods Geest bent ontdekt aan uzelf en door Christus bent toegebracht. Welgelukzalig zult u zijn. In en uit uzelf was alles onmogelijk, u had nergens recht op en toch behaagde het Christus om uw zonden te vergeven. Toch zag Christus naar u om. U bent vaak in twijfel of het wel echt is. Maar als de Heere bij tijden de echtheid van Zijn werk aan u bewijst, dan staat u steeds weer verwonderd en ziet u met verlangen uit naar die grote dag des Heeren, waar u die zekerheid nooit meer kwijt zal zijn. Dan zullen de zonden u niet meer kunnen hinderen. Ja, dan zal dat wat u nu gelooft, zichtbaar worden. Dan wordt geloven, aanschouwen. Nooit meer uw zaligheid kwijt, altijd bij Christus. Verdient had u het niet, maar Christus verdiende het voor u. Hij moest ervoor door de dood heen, om u uw zaligheid te kunnen schenken. Onbegrijpelijk. Wat een grote Koning. O, is het niet uw verlangen om die Koning een ieder aan te prijzen en aan te bevelen. Gezegend zij die grote Koning die tot u kwam in 's Heeren naam. De Heere is God, door Wien we aanschouwen, het vrolijk licht, na bang gevaar. O, welk een wonder. Zwarte, doemwaardige zondaren door Christus gered. Onbegrijpelijk dat de Heere zulke zondaren wil gebruiken om aan Zijn eer te komen. Verheugt u aan in uw Zaligmaker. Prijst Hem en maakt Hem groot. Het is door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen. God zij altoos op 't hoogst geprezen. Lof zij Gods goedertierenheid, die nimmer mij heeft afgewezen, noch mijn gebed gehoor ontzeid!