Jozef (4)
Vader,
we moeten weer naar Egypte gaan hoor, want bij ons is het koren weer bijna op,
we hebben nog net genoeg om te bewaren als wij weg zijn.
Ja, jongen, ik weet het, ik heb er heel lang over nagedacht en jullie moeten
maar weer gaan, en neem Benjamin maar mee, maar ik wil wel dat jullie heel goed
voor hem zorgen want als hem iets overkomt dan sterf ik van verdriet.
Ja, vader we zullen heel goed voor hem zorgen hoor, maakt u zich maar geen
zorgen.
En zo gaan de broers weer op pad, weer een lange reis naar Egypte, ze doen er
zeker wel 2 dagen over voor ze in Egypte zijn.
Er wordt geklopt op de deur van Jozef zijn paleis, meneer, ze zijn er weer hoor,
weet u nog die 10 mannen die er 3 maanden geleden ook waren en waarvan er nu
èèn gevangen zit?
Laat ze maar binnen komen, zegt Jozef, toch terug gekomen denk hij? Zal Benjamin
er ook bij zijn, hij heeft hem zo gemist.
Daar staan ze dan, weer voor die machtige onderkoning, oei, wat kijkt hij hun
weer aan.
Juda neemt het woord, meneer de onderkoning wij zijn weer terug gekomen en onze
vader heeft zijn jongste zoon mee gegeven, Juda schuift Benjamin naar voren.
Zo, denkt Benjamin, dat is een knappe onderkoning, en wat ziet hij er deftig
uit, hij wordt er gewoon een beetje bang van want de onderkoning kijkt hem zo
vreemd aan, die ogen doen hem denken aan iemand die hij gekend heeft maar hij
weet niet meer wie.
Komen jullie maar mee, dan gaan we eerst eten en jullie zijn mijn gasten
vandaag.
Als de broers de eetzaal binnen komen zien ze hun broer weer die gevangen heeft
gezeten, wat ziet hij er goed uit, er is dus goed voor hem gezorgd zo te zien.
Jozef geeft ondertussen opdracht aan zijn knechten om alvast de zakken te vullen
met graan, maar in de zak van de jongste moet boven op het koren de zilveren
beker van hem gelegd worden.
Zodra
de maaltijd weer voorbij is roept Jozef, de broers weer bij zich en zegt: Zo
mannen ik heb nu wel vertrouwen in jullie, mijn knechten hebben koren in jullie
zakken gedaan, dus nu hebben jullie weer voldoende eten, ga weer naar jullie
vader en groet hem van mij.
Juda, ziet de knechten nog lopen en gaat naar hen toe, het geld van de vorige
keer lag nog boven op het koren dus dat wil ik nog betalen aan u.
Laat maar zitten hoor, een foutje kan altijd gebeuren en ik weet niets van geld
af dat bij jullie nog op het koren heeft gelegen.
Zo gaan de broers weer op pad, en wat zijn ze blij, wat was de onderkoning
aardig en lekker dat ze gegeten hebben, nu hebben ze weer heel veel koren, en
Benjamin is niks overkomen, wat zal vader blij zijn.
Jozef
roept ondertussen zijn knechten bij hem, zo zegt hij, ga de mannen achterna en
zeg dat ze van mij gestolen hebben, kijk in hun zakken met koren in de zak van
de jongste het laatst en zeg dat bij wie mijn beker gevonden wordt slaaf van de
onderkoning zal worden.
En zo gebeurde het ook, een hele groep knechten gingen de broers achterna heel
in de verte waren ze al te zien, want zo hard gaan ze niet op hun ezels die vol
bepakt en bezakt zijn.
Stop,
jullie, in de naam van de onderkoning.
Wat krijgen we nou denken de broers, wat hebben we nu weer gedaan? De beker is
gestolen van de onderkoning en hij verdenkt jullie daarvan, laat ons in jullie
zakken met koren kijken, en bij wie we hem vinden gaat mee terug en zal slaaf
worden van de onderkoning.
Maar, meneer, wij hebben echt niet gestolen hoor, zegt Juda, wat moeten wij nou
met een zilveren beker? Maar u mag kijken hoor en dan zal u zien hoe onschuldig
wij zijn.
Zie je wel denkt Juda, we hebben hem niet alleen moeten ze nog in de zak koren
kijken van Benjamin en daar is hij in de buurt bij gebleven en heeft niet gezien
dat hij die beker heeft gepakt.
Ja, hier hebben we hem, de beker van de onderkoning, hij lag gewoon boven op het
koren, van wie is deze zak met koren? Vraagt een knecht.
Van mij meneer, zegt Benjamin bang, maar ik heb hem echt niet gepakt ik weet
niet eens hoe hij erin is gekomen.
Meekomen
jij, jij wordt slaaf van de onderkoning, dat heb je als je steelt dan weet je
dat daar een straf op volgt.
O nee, denkt Juda, dit kan niet, en vader Jakob dan? Als wij terug zullen keren
zonder Benjamin dan zullen ze dit nooit meer goed kunnen maken bij vader, we
gaan allemaal mee naar de onderkoning, en daar gingen ze dan, weer terug naar
die boze onderkoning, wat zal hij zeggen?
Ze komen er allemaal weer aan, meneer de onderkoning wilt u ze ontvangen? Ja,
laat ze maar komen.
O,
o, wat kijkt de onderkoning boos, Benjamin wordt heel erg bang zal hij nu voor
deze onderkoning moeten werken? Omdat hij denkt dat hij zijn beker gestolen
heeft?
Meneer de onderkoning, zegt Juda, Benjamin heeft die beker niet gestolen, en
geen van ons allen wij weten echt niet hoe die beker in èèn van onze zakken
met koren is terecht gekomen, wilt u ons vergeven? En ik zal in plaats van
Benjamin u slaaf worden want vader Jakob zal sterven van verdriet als Benjamin
niet terug komt.
Jozef wordt stil, zijn dit nu zijn broers die hem hebben verkocht? Zo ken hij ze
helemaal niet. Wat zijn ze verandert en wat zijn ze goed voor Benjamin.
Ik wil dat al mijn knechten weg gaan, dat alleen deze mannen en ik nog
overblijven in deze zaal, iedereen gaat weg, want tegen een bevel van de
onderkoning moet je niet ingaan want daar kan je voor gestraft worden.
Wat nu, denken de broers wat zal de onderkoning zeggen?
Jozef begint te huilen, niet van verdriet maar van blijdschap.
Jonge mannen, dit zal heel vreemd zijn wat ik jullie vertel, maar ik ben jullie
broer, ik ben Jozef die jullie verkocht hebben naar Egypte.
Kom
hier, Benjamin loopt op Jozef af en valt hem huilt in zijn armen, is dit zijn
broer over wie hij al zoveel heeft horen vertellen? En ook de andere broers
kijken heel vreemd, deze man? Is dit Jozef? De ze verkocht hebben?
Broers,
het had zo moeten wezen dat jullie mij verkocht hebben, anders hadden jullie nu
geen eten gehad en waren jullie van de honger om gekomen, God is mij zo nabij
geweest hier in Egypteland.
En hoe is het met mijn Vader leeft hij nog? Jazeker hij leeft nog hoor en we
gaan hem snel vertellen dat je nog leeft en dat het goed met je gaat Jozef, o,
we zijn zo blij.
Ga mijn vader halen, en zeg dat jullie allemaal bij mij hier kunnen komen wonen,
er is hier een heel groot grasgebied waar jullie met de schapen kunnen wonen.
Een week later, vader Jakob is zo snel als hij kon op zijn hoge leeftijd naar
Jozef gereisd om hem in de armen te sluiten na z`n hele lange tijd.
Wat waren die twee gelukkig toen ze elkaar weer zagen, wat is er veel gepraat en
feest gevierd, en wat waren de broers blij dat ze nu dicht bij Jozef konden
wonen.
Wat
heeft dat nu tot ons te zeggen hè? Dit verhaal staat natuurlijk niet zomaar op
geschreven in de Bijbel.
Weet je, het is belangrijk dat je net als Jozef blijft geloven in Jezus, Hij is
elke dag bij je, ook als het tegen zit op school, of als je verdrietig bent,
maar ook juist als je heel blij bent en alles goed met je gaat.
Wat ook waar is dat als liegt tegen iemand, dat altijd uitkomt wat de waarheid
is zoals ook dat spreekwoord zegt.
Al is de leugen nog zo snel de waarheid achter haalt hem wel, zo was het in het
verhaal van Jozef ook, zijn broers hadden gelogen dat Jozef door een wilt dier
op gegeten was, terwijl Jozef in Egypte onderkoning werd en hun later voor hem
zouden buigen.
Gelukkig hadden de broers spijt van wat ze gedaan hadden, en Jozef heeft het hun
vergeven en ook God heeft het hun vergeven.