Jozef (3)
Ben
je wel eens wezen logeren? Weg van je papa en mama? Weg van je broers/zussen?
Nou ik wel hoor! En als ik dan een paar dagen weg ben, dan krijg ik altijd een
beetje heimwee. Jullie niet? Hoe zou het zijn met papa en mama? Meestal bel je
ze dan even op om te vragen hoe het gaat. Als je dan weer even hun stem hebt
gehoord dan is het wel weer goed. Net of je weer even heel dicht bij hen was.
Zo
is het ook met Jozef. Hij heeft al 20 jaar zijn familie niet gezien en dat mist
hij wel hoor.
Maar gelukkig is God bij Jozef en Hij heeft hem een familie in Egypte gegeven.
Jozef is getrouwd met de dochter van de koning en heeft 2 zoontjes gekregen;
Efraim en Manasse.
De eerste zeven jaar na de droom van de koning zijn voorbij. Het zijn zeven hele
rijke jaren geweest. Op het land is alles goed gegroeid. Er was heel veel koren
over dat niet op gegeten kon worden en dat is op geslagen in hele grote schuren
die daar speciaal voor zijn gebouwd.
Nu is er een hongerramp in heel het land. Nergens is er eten, behalve dan in de
schuren in Egypte. Daar ligt heel veel koren dat verkocht wordt aan mensen die
daar eten komen halen.
Ook bij vader Jakob was er een hongerramp. Zijn zoons hadden ook geen koren meer
om eten van te maken, maar hij hoorde dat er in Egypte koren te koop was. Ja,
daar konden zijn zonen wel heen gaan om koren te gaan kopen.
“Juda, jongen. Kom eens bij je vader. Ik heb je iets te zeggen.”
“Ja vader, ik kom eraan hoor! Wat is er aan de hand?”
“Jongen, jij moet met je broers maar eens naar Egypte gaan om daar koren te
gaan kopen. Want hier is het eten bijna op. Neem geld mee en een aantal ezels om
op te rijden en ga dan op weg. Maar Benjamin blijft hier hoor, want ik wil niet
dat hem iets overkomt.”
Er
komt een knecht aangesneld. “Mijn heer, er zijn tien mannen aangekomen. Ze
zeggen dat ze koren willen kopen. Ze komen helemaal uit Kanaän, een plaatsje
hier heel ver vandaan. Moeten we ze geloven?”
“Ik zal wel eens even naar hun toe gaan,” zegt Jozef.
Kanaän, denkt Jozef, mijn geboorteplaats. Zouden het bekenden zijn? Hij kijkt
alvast even uit het raam. En nog eens. Ziet hij het goed? Zijn dat niet zijn
broers? Ze zijn wel wat ouder geworden, maar het kan bijna niet missen zeg! Ze
zijn helemaal bezweet en onder het stof van die lange reis.
“Zo mannen,” zegt Jozef, “wat komen jullie hier doen? Het land bespieden
zeker?”
“Nee, mijn heer,” zegt Juda, “wij zijn door onze vader gestuurd. We
hoorden dat hier koren te koop was. Bij ons is het koren bijna op en nu wilde
onze vader dat wij nieuw koren gingen halen zodat onze gezinnen weer kunnen
eten.”
“Ik geloof er helemaal niets van,” zegt Jozef. Jullie komen mij gewoon
bedriegen en ondertussen komen jullie gewoon kijken hoe sterk dit land is. Om er
vervolgens tegen te vechten. Ja, ik heb jullie wel door! Maar ik trap er niet in
hoor!”
“Nee, mijn heer, echt niet, We zijn met z`n tienen gekomen; onze jongste broer
is thuis gebleven bij zijn vader en één broer van ons is er niet meer.”
“Zie je nou,” zeggen de broers tegen elkaar, “dit gebeurt vast door wat we
met Jozef hebben gedaan. Maar nu is het al veel te laat en worden wij alsnog
gestraft.”
Ook
Jozef hoorde dit, maar hij vertelde nog niet dat hij hun broer was. Daar was het
de tijd nog niet voor.
“Weet u, mannen, ik geef u voor ieder een zak koren mee. Alleen deze broer van
jullie houd ik hier. Als jullie dan weer om nieuw koren komen wil ik dat jullie
je jongste broer meenemen. Dan laat ik deze broer van jullie weer vrij.”
Zo gingen er negen broers weer terug. O, wat zou vader Jakob zeggen? Zou hij
boos zijn?
“Vader,
vader, kom snel! Daar zijn ze weer en ze hebben koren mee genomen! Kijk!”
roept Benjamin. Hij stond zijn broers al op te wachten.
Vader Jakob komt aansnellen zo snel als zijn oude benen hem kunnen dragen. Hé,
wat is dat? Er zijn maar 9 zoons van hem. Waar is Zebulon? Zou hem iets
overkomen zijn?
“Hallo vader,” zegt Juda. “Wat we nu hebben mee gemaakt. Het was echt
verschrikkelijk! We moesten bij de onderkoning komen en die geloofde ons niet.
Hij dacht dat we verspieders waren. En nu wil hij dat, als we weer komen,
Benjamin dan meegaat. En dan laat hij Zebulon weer vrij. Want die houdt hij nu
gevangen.”
“Maar jongen toch, hoe kan dat? Ik geef Benjamin nooit mee, dat weet je. Jozef
ben ik ook al kwijt en als ik Benjamin ook kwijt raak dan sterf ik van
verdriet.”
“Vader, er zal hem echt niks overkomen hoor! Daar zorg ik voor! Ja, en ik ook
hoor!” zeggen Juda en Ruben. “Echt vader, het moet! Anders hebben we geen
eten en zullen we sterven van de honger.”
“Nou ja, dan moet het maar. Maar zorg goed voor hem hoor! Maar we gaan eerst
genieten van dit koren. We gaan er lekker brood van maken zodat we weer kunnen
eten.” Vader doet ondertussen de zakken open. Hé, wat ziet hij nou? Het geld
ligt bovenop het koren.
“Hebben jullie niet betaalt?” “Jawel vader.” “Maar het geld ligt
bovenop het koren in de zakken. Hoe kan dat?
Moeten jullie de volgende keer maar dubbel betalen hoor. Dan zeg je maar dat het
nog in de zakken met koren zat.”
Hoe
zal het verder gaan? Zullen de broers toch weer naar Egypte gaan om koren te
halen? Zal vader Jakob Benjamin mee sturen naar dat verre Egypte? Dat lezen we
in het volgde en laatste verhaal over Jozef.