Het verhaal van Jozef (2)
Kijk
daar eens, wie is daar zo hard aan het werk?
Het is Jozef. Toen hij bij Potifar in huis kwam als slaaf moest hij hard werken.
En dat deed Jozef ook wel; hij werkte hard en was heel vriendelijk tegen
iedereen. Dat viel iedereen op, ook zijn baas Potifar en die dacht: laat ik
Jozef maar een beetje voortrekken, want hij doet zijn werk zo goed. Ik maak hem
baas over het werk wat hier moet gebeuren en over de slaven. Zo gebeurde het
ook.
Jozef
was heel blij met dat baantje; zo kon hij veel over God vertellen tegen de
andere slaven. Jozef was een hele knappe jongen. Dat zag de vrouw van Potifar
ook en op een dag toen haar man weg was dacht ze: Ik wil Jozef hebben. Nu kan
het! Ze ging naar Jozef toe en vertelde het hem. En wat zei Jozef? “O nee, dat
kan ik niet doen mevrouw. Als ik dat zou doen zou ik zondigen tegen God en dat
wil ik niet.” Maar de vrouw van Potifar pakt Jozef bij zijn jas. Deze jas zit
altijd vast met een gesp. Jozef maakt snel de gesp los en rent weg.
`s
Avonds als Potifar thuis komt vertelt zijn vrouw wat er gebeurd was. Dat Jozef
haar lastig wilde vallen en dat ze hem toen bij zijn jas heeft gepakt en hulp
heeft geroepen. En dat Jozef toen hard is weggevlucht. Zijn jas ligt nog in de
kamer. En Potifar? Gelooft hij het verhaal van zijn vrouw? Ja. Hij vraagt niks
aan Jozef, maar gooit hem gelijk in de gevangenis. “Nee, jij komt mijn huis
niet meer in. Je bent een bedrieger! Jij hoort in de gevangenis thuis!” Daar
zit Jozef dan, zomaar onschuldig in de gevangenis. Daar moet hij ook hard
werken. Hij doet goed zijn best. Dat ziet de baas van de gevangenis en hij zorgt
ervoor dat Jozef het beste baantje krijgt. Hij mag voortaan eten naar andere
gevangenen brengen.
Jozef
vind dit wel fijn, zo kan hij andere gevangen van God vertellen. Op een dag kwam
Jozef bij twee hele belangrijke mensen van de koning die in de gevangenis
zitten; de schenker en de bakker van de koning. Ze hebben tegen de koning
gezondigd en moeten in de gevangenis op hun straf wachten. Ze waren druk aan het
praten toen Jozef binnen kwam. “We hebben zo raar gedroomd vannacht,” zeggen
ze tegen Jozef, “en we weten gewoon niet wat de betekenis van de dromen is.”
“Vertel
het aan mij,” zegt Jozef, “dan zal ik aan mijn God vragen of Hij mij de
betekenis van jullie dromen wil uitleggen.” En zo gebeurde het ook. Eerst
vertelde de bakker zijn droom en daarna de schenker. Daarna legde Jozef de
dromen uit. De bakker en schenker zouden binnenkort weer vrij komen , maar de
bakker zou worden opgehangen aan een kruis. De vogels zouden zijn vlees eten. En
de schenker zou zijn werk weer mogen doen bij de koning. De koning was jarig en
liet de schenker en de bakker vrij. En het gebeurde zoals God tegen Jozef had
gezegd.
“Bedankt
hoor Jozef,” zei de schenker. “Dank God maar schenker en denk aan mij als je
bij de koning bent. Vertel hem over mij. Dat ik hier onschuldig zit.” “Ja,
dat zal ik doen hoor Jozef. Ik zal je niet vergeten.” Maar er gingen dagen,
weken, maanden overheen en Jozef zat nog steeds in de gevangenis. “Ik heb zo
vreemd gedroomd,” zegt de koning op een dag. “Ik weet gewoon niet wat die
droom te betekenen heeft. Wie zou mij die droom uit kunnen leggen?” Dit hoorde
ook de schenker en opeens denkt hij beschaamd aan Jozef. O wat erg, hij is hem
helemaal vergeten!
“Ik
weet iemand koning. Jozef. Hij zit in de gevangenis. Toen ik daar zat en
gedroomd had heeft hij mijn droom uitgelegd en de droom is uitgekomen.”
“Laat die jongen hier komen,” zegt de koning. “Ben jij Jozef?” “Ja,”
zegt Jozef, “dat ben ik.” “Mee komen dan naar de koning. Eerst even je
verkleden en wassen” Eindelijk, denkt Jozef. Zou de schenker dan nu aan mij
gedacht hebben?
Als
hij voor de koning staat hoort hij waarom hij geroepen is. “Ik heb zo vreemd
gedroomd. Kun jij misschien uitleggen wat mijn droom betekent Jozef? Ik hoorde
dat jij dat kunt.” “Nee koning. Niet ik, maar God geeft mij de uitleg van de
droom. Vertel hem aan mij en ik zal mijn God vragen om de uitleg van de
droom.”
En
zo vertelde de koning zijn droom: “Ik droomde van zeven dikke, vette koeien en
zeven magere, lelijke koeien. Die magere koeien aten de dikke koeien op en ze
werden er niet eens dikker van. En precies het zelfde droomde ik over zeven
volle mooie korenaren en zeven magere korenaren. Wat betekent dat?” Jozef
zegt: “Er komen zeven jaren die heel rijk zijn; heel veel koren en veel oogst.
Maar daarna komt er zeven jaar een hongersnood. Dit betekent dat we de komende
zeven jaar moeten zorgen dat we eten opslaan in grote schuren zodat we dit in de
zeven jaar van hongersnood kunnen verkopen. Dan hoeven we niet van de honger om
te komen.”
“Jozef,”
zei de koning, “ik wil dat jij daar zorg voor gaat dragen. Jij wordt onder mij
de belangrijkste man van het land. Jouw God heeft voor je gezorgd. Niemand is zo
verstandig jij. Jozef
kreeg mooie kleren en een ring van de koning om zijn vinger. Hij werd door
Egypte gereden en iedereen moest voor hem buigen.
Toen
Jozef thuis kwam, ging hij eerst op zijn knieën om God te danken dat Hij hem zo
nabij was geweest deze jaren en dat Hij zo goed voor hem gezorgd had.