Het verhaal van Jozef
Jullie
hebben misschien allemaal wel een broertje(s) of zusje(s). Misschien nog wel
heel klein of al ouder dan jij bent.
Zo
was het ook met Jozef; hij had 10
broers en 1 broertje dat jonger was dan hij. Maar Jozef kon nooit zo goed
opschieten met zijn broers. Waarom niet? Iedereen heeft toch wel eens ruzie,
maar dan is het toch altijd snel weer goed?
Nou, zo was het bij Jozef niet. Zijn broers waren jaloers, want vader Jakob gaf
Jozef meer aandacht dan zijn andere zonen. Hij gaf Jozef een mooie jas met
allerlei kleuren en ook hoefde Jozef niet te werken, maar mocht hij bij zijn
vader thuis blijven.
Ook droomde Jozef hele aparte dromen; dat zijn broers en vader voor hem moesten
buigen omdat Jozef een machtig en grote koning was. Dit vonden ze niet leuk.
Op
een dag zei vader Jakob tegen Jozef: “Jongen, je broers zijn met hun schapen
een heel eind weg en ik ben benieuwd hoe het met hen gaat. Zou jij niet eens
willen gaan kijken en mij weer komen vertellen hoe het met hen is?”
Natuurlijk, dat wilde Jozef wel! Brood mee voor onderweg en daar ging Jozef dan
op zoek naar zijn broers. Ze moesten ongeveer bij Sichem zijn, dat is bijna een
halve dag lopen. Als Jozef daar is aangekomen kan hij zijn broers maar niet
vinden. Overal zoekt hij; bij mooie waterbeekjes en bij mooie grasvelden. Maar
nee, helaas geen broers met hun kudde schapen.
Hij
ziet een man hard aan het werk op zijn land. “Weet je wat?” denkt Jozef,
“laat ik het eens aan hem vragen. Meneer, weet u misschien waar mijn broers
zijn? Ze zouden hier met de kudde heen gaan maar ik kan ze nergens vinden.”
“O ja,” zegt de man, “ik heb ze gisteren hier zien weg gaan. Ze gingen
naar een plaatsje verderop, naar Dothan. Daar is zo`n mooi graslandschap voor de
schapen hoorde ik ze zeggen.” “O, bedankt hoor meneer! Dan ga ik daar heen
om ze te zoeken.”
“Moet
je kijken, daar in de verte, wie er aan komt!” De broers stoten elkaar één
voor één aan. “Daar heb je dat broertje van ons met zijn mooie dromen.
Hahaha. Weet je wat, we zullen hem doden. Dan hebben we geen last meer van hem.
We nemen zijn jas af die hij van vader heeft gekregen en dan zeggen we tegen
vader dat hij vast door een leeuw is opgegeten.” “Nee,” zegt Ruben,
“laten we hem niet doden. Laten we hem hier in die put gooien.” Want, denkt
Ruben, als de broers dan op de schapen gaan passen dan zal ik hem eruit halen
zodat hij kan vluchten. “Ja, laten we dat doen” zeggen de broers. En zo
gebeurde het.
Jozef
kon nog niks zeggen of ze pakten hem beet en sleurden hem naar de put. Ze deden
eerst zijn mooie jas uit en gooiden hem de put in. Heel diep en heel donker.
“Kom jongens,” zegt Juda, “we gaan eerst maar eens even eten. Ruben, blijf
jij op de schapen passen? Als wij gegeten hebben dan kun jij even rustig
eten.” “Oké, dat is goed hoor!”
Een
half uurtje later komt er in de verte een grote stoet mensen en kamelen aan;
kooplieden die spullen zoals specerijen, gouden en zilveren geschenken naar
Egypte gaan brengen om die te verkopen. Opeens krijgt Juda een slim plan.
“Weet je wat we doen? We verkopen Jozef als slaaf! Dan hoeven we hem hier niet
achter te laten en hem ook niet te doden. Maar we zijn wel voor altijd van hem
af. We zullen hem nooit meer zien. Ik ga hem weleens even uit die put halen en
daarna onderhandelen over welke prijs ze voor hem willen geven.
Kom
Jozef, je mag weer uit de put. Ik zal je wel even helpen.” Hèhè, denkt
Jozef. Gelukkig hoor, want het was er zo eng en donker. Als hij de put uit is
ziet hij ook de grote stoet met mensen. Wat zouden die hier doen? “Kom Jozef,
even meelopen” zegt Juda. “Zeg koopman, zou u deze jongen niet als slaaf
willen kopen? Hij kost maar 20 zilverstukken (muntjes), dus dat is natuurlijk
niet veel. Hij is een sterke jongen en u zal niet veel last van hem hebben.”
“Verkocht,”
zegt de koopman.
"Bindt hem maar met zijn handen aan die kameel daar vast. Dan kan hij
blijven lopen. Hier heb je 20 zilverstukken.”
“Lopen maar” roept de koopman tegen de andere mensen in de stoet en ze gaan
weer verder.
En
Jozef? Hij heeft verdriet. Waarom doen zijn broers dit? Jozef wordt moe van dat
hele eind lopen naar Egypte. Zijn voeten gaan zo'n zeer doen, maar hij moet
blijven lopen. Als ze in Egypte aankomen wordt hij gekocht door een rijke man:
Potifar. Die wil hem graag hebben als slaaf in zijn huis.
En de broers? Hebben zij geen spijt? Wat gaan ze nu aan hun vader vertellen?
“Kom, we slachten een geitje en halen daar Jozef zijn jas doorheen. En dan
vertellen we aan vader dat wij de jas van Jozef hebben gevonden langs de kant
van de weg. Misschien is hij door een leeuw of een beer opgegeten.” Toen vader
Jakob het verhaal hoorde van zijn zonen werd hij heel erg verdrietig en begon
erg te huilen. Zo erg dat hij door niemand getroost kon worden.
En
hoe is het met Jozef? Daar gaan we naar kijken in het volgende verhaal!